Joodse gemeenschap Haren

De bus aan de Emmalaan

Wie over op de Emmalaan rijdt, wordt omgeven met eikenbomen, heggen en perkjes. De straat weerspiegelt het Harense: keurig en rustiek. Aan het einde van de straat, wanneer zij met de Rijksstraatweg kruist, staat een kleine Rabobank. Ooit stond op die plek een oud huisje met daarvoor een bushalte. Niets herinnert meer aan die bewuste vrijdag 10 juli 1942, wanneer op die plek een bus met tien Joodse mannen naar Kamp Westerbork vertrekt. Geen van deze tien mannen komt terug. 

De bus aan de Emmalaan
De manufactuurzaak van Salomon David Nathans aan de Rijksstraatweg 190

Voordat Nederland wordt bezet door de Duitsers, bestaat er in Haren een kleine, levendige Joodse gemeenschap. Veel van deze Joden bestaan uit welgestelde families. De familie Barentz is daar een van. Als welgestelde handelsreiziger, koopman en kunstenaar, kan Isaäc Barentz als een van de weinigen in het dorp een auto permitteren. Dit levert dan ook veel bekijks op in de buurt. Naast Isaäc loopt de manufactuurzaak van Salomon David Nathans aan de Rijksstraatweg 190 op rolletjes. In de winkel van de geboren Harener wordt door echtgenote Rosa goed zaken gedaan, terwijl Salomon met de fiets langs Onnen en Glimmen trekt om daar zijn producten aan de deur te verkopen. Zo zijn er meer Joodse Hareners die in de kledingindustrie zitten. De jonge George van Dam bijvoorbeeld, die in London een opleiding tot coupeur volgt. Hij is de voorbestemde opvolger van zijn vader, de welgestelde directeur van de N.V. Herenkledingfabriek Wed. N.A. van Dam & Zn. in Groningen.

De Duitse bezetting maakt een einde aan deze bloeiende periode. Door de toenemende restricties en anti-Joodse regelgevingen wordt het voor de meeste gezinnen onmogelijk om hun beroep nog uit te oefenen. In mei 1942 mogen Joden niet meer bezit hebben dan f250,-, de rest moet ingeleverd worden bij de oorspronkelijk Joodse bank Lippmann Rosenthal & Co. Voor Isaäc Barentz betekent dit dat hij daar zijn kunstwerken en auto moet inleveren. In veel gevallen worden de huizen en de winkels van Joodse burgers gevorderd door Duitsers of Duitsgezinde leden van de Nationaalsocialistische Bond (NSB). Ook de vader van George van Dam moet terugtreden als directeur van zijn bedrijf, waarna een Arische Verwalter de zaak overneemt. Die maakt er een potje van: het bedrijf houdt al gauw op met bestaan.

Het loopt gelukkig anders bij Simon Heiman Cohen, eigenaar van een grossierderij in Groningen. Ook hij wordt door een Duiste Verwalter, de heer Molle vervangen, maar omdat de Duitser uit Halle de voorraden nauwelijks controleert, kan er een intensieve handel in potten, pannen, weckflessen en kachels ontstaan. Manufacturier Salomon Nathans probeert ondanks de beklemmende regels positief te blijven. Zo grapt hij op een dag tegen een klant in de winkel: ‘God schiep de mensen en het vee, de duivel maakte de Duitsers en de NSB.’

Eind juni 1942 bericht Hermann Conring, de gevolmachtigde van Seyss-Inquart, dat alle Joodse mannen tussen de 18 en 55 uit Groningen zich moeten keuren voor werkkamp. Hier geven elf Hareners gehoor aan. Ook George van Dam meldt zich bij de Violenstraat, waar de keuring voor het werkkamp plaatsvindt. ‘Ik doe het voor mijn ouders’, zegt hij tegen zijn geschrokken vrienden op de roeivereniging. Zijn ouders zijn echter faliekant tegen deze beslissing, ze bieden hem direct een onderduikadres aan in het bejaardenhuis Avondlicht, maar George weigert om zich tussen ‘die oude mensen’ te scharen. De broers Siegbert en Werner Wolff krijgen ook een onderduikadres aangeboden, maar ook zij blijven liever als familie bij elkaar.

Uiteindelijk worden tien Joodse mannen uit Haren voor werkkamp geselecteerd. Op 10 juli 1942 verzamelen zij zich bij de bushalte aan de Emmalaan, op de hoek met de Rijksstraatweg. Er is op dat moment nog geen treinverbinding tussen Groningen en Kamp Westerbork mogelijk, waardoor een bus de Harense Joden naar het werkkamp brengt. Simon Heiman Cohen krijgt hulp van een kennis, die zijn koffer op de fietsendrager meedraagt naar de bushalte. Eenmaal bij de halte aangekomen is Simon is niet de eerste: tussen de Nederlandse politiemannen zijn al meer Harense Joden met hun bagage in de weer. Simon uit weinig zorgen: ‘Die Hitler is zo verslagen!’, roept hij tegen zijn vriend. Bij aankomst in Kamp Westerbork schrijft de jonge George van Dam nog een brief waarin hij vertelt dat hij het bericht heeft gekregen dat hij in Duitsland als arbeider wordt aangesteld. In de brief schrijft hij: ‘we mogen niet veel meenemen, wat achterblijft wordt wel voor gezorgd. We hebben met zijn allen nog maar een gedachte n.l. het leven[d] er afbrengen.’ George eindigt zijn brief met: ‘HOUD MOED. Wij zullen terugkomen.’

De getypte brief van George van Dam
De getypte brief van George van Dam

Wat George echter niet weet is dat hij is geselecteerd voor de eerste trein die vanuit Westerbork naar Auschwitz zou vertrekken. Ook voor Isaäc Barentz, Elias Blocq, vader en broers Nathans, en Herman Slomper staat hetzelfde lot te wachten. De goederentrein met ongeveer 1100 Joden vertrekt op 15 juli 1942. Bij aankomst in Auschwitz duurt het niet lang voordat de zeven Harense mannen naar de gaskamer worden gestuurd. Eind september 1942 zijn allen niet meer in leven.

Alleen Simon Heiman Cohen en de gebroeders Wolff blijven achter in Westerbork. Maar een jaar later wordt ook Simon op transport gezet naar Auschwitz.  De gebroeders Wolff kunnen, mogelijk dankzij het IJzeren Kruis van hun vader Hermann, nog lang in Westerbork blijven. Zij zijn de enige die hun familie daar op 28 november 1942 weer terugzien. De familie Wolff blijft lang bij elkaar, maar wordt in 1944 op transport gesteld naar Theresienstadt. Omdat Siegbert en Werner de besmettelijke roodvonk hebben, volgen zij pas later. Via Theresienstadt komen Siegbert en Werner in Auschwitz terecht. Ook zij vinden daar de dood. Zij overlijden in het najaar van 1944, net voordat het vernietigingskamp wordt bevrijd.

De rustieke Emmalaan is sindsdien een stille getuige van deze ramp. De bus die op 10 juli 1942 vanuit deze plek met tien Joodse mannen naar Kamp Westerbork vertrekt, is achteraf het symbool voor het verbindende lot van deze Hareners geworden.

Bronnen:

H.J.C. Bekenkamp, Bezetting en bevrijding van Haren 1940-1945, Harener Historische Reeks nr. 9 (Haren 1995).

Wil Legemaat, Van kwaad tot onvoorstelbaar erger. Verhalen achter de namen op de gedenksteen in Haren, Harener Historische Reeks nr. 15 (Haren 2010).

Reacties

Nog geen reacties

Reageren is uitgeschakeld